Efficiënte markthypothese

De efficiënte-markthypothese (EMH) is de theorie in de financiële wetenschap dat in de prijs van effecten zoals aandelen alle publieke informatie en toekomstverwachtingen verwerkt zitten. Professor Eugene Fama ontwikkelde deze theorie eind jaren zestig en publiceerde het in mei 1970 in de Journal of Finance onder de titel "Efficient Capital Markets: A Review of Theory and Empirical Work". In 2013 ontving hij voor zijn werk de Nobelprijs.

De belangrijkste uitgangspunten zijn:
•    De prijs weerspiegelt alle beschikbare informatie en verwachtingen van alle marktpartijen;
•    De meest recente koers is de beste schatting van de werkelijke waarde;
•    Aanpassingen in de prijs zijn het gevolg van niet te voorspellen gebeurtenissen;
•    Koersen gedragen zich willekeurig en zijn dus niet te voorspellen;
•    Alhoewel prijzen soms niet de werkelijke waarde weerspiegelen, zijn dergelijke omstandigheden zeer moeilijk te herkennen .

Het volgen van bovenstaande uitgangspunten heeft voor beleggers zeer verregaande consequenties. Als de meest recente koers van een aandeel of obligatie de beste schatting is van de intrinsieke waarde, dan is het zinloos om te trachten ‘mispricing’ te identificeren. Het is dus onmogelijk om structureel betere beleggingsresultaten te behalen dan gemiddeld behalve door geluk. Alle bekende informatie in de markt is reeds in de prijzen verwerkt, en toekomstige ontwikkelingen zijn onvoorspelbaar. Als er nieuws bekend gemaakt wordt zullen alle actoren in de markt hun verwachtingen aanpassen. Sommigen zullen te optimistisch zijn en anderen te pessimistisch, maar de markt als geheel zal altijd gelijk hebben volgens de hypothese.

Dit impliceert ook dat beleggers het beste gebaat zijn bij passief geconstrueerde beleggingsportefeuilles. In plaats van de zoektocht naar ‘winnende’ beleggingsstrategieën of de jacht naar het ‘winnende’ beleggingsfonds is het veel verstandiger om je vermogen als investeerder bloot te stellen aan de verschillende beleggingcategorieën, rekening houdend met het verwachte rendement en risico van de betreffende beleggingscategorie en dit aan te laten sluiten bij het eigen persoonlijke risicoprofiel.

De stelling dat markten efficiënt zijn, betekent dus dat, als er als sprake is van een verkeerde prijs, marktwerking ervoor zorgt dat de prijs snel terugkeert naar de ‘correcte’ waarde. Het enige dat hiervoor nodig is dat een aantal goed geïnformeerde beleggers over de juiste kennis beschikken.

Geen enkele beleggerzal alleen over alle beschikbare informatie beschikken, laat staan over de kennis beschikken hoe deze informatie correct te interpreteren. Dat betekent dat de werking van de markten ervoor zorgt dat alle beschikbare informatie wordt verzamelt, gewogen en uiteindelijk wordt ingeprijsd.

Voor beleggers is het moeilijk om de meest recente koers van een aandeel of obligatie te zien als de beste schatting van de werkelijke waarde van een aandeel of obligatie, zeker als koersen flink fluctueren. Daarom is het belangrijk om aan te geven dat deze theorie niet beweert dat markten altijd rationeel zijn of altijd de juiste prijs weergeeft. De theorie leert ons dat, zelfs al zouden koersen onjuist geprijsd zijn, het toch onmogelijk is voor beleggers om hiervan consequent te profiteren. Over een bepaalde periode zullen er altijd beleggers zijn, louter gebaseerd op toeval,  die betere rendementen dan de markt genereren. Echter het aantal beleggers die dit presteren is niet groter dan het aantal dat verwacht mag worden door toeval. Integendeel zelfs, het aantal beleggers dat de markt weet te verslaan in kleiner dan op basis van toeval verwacht mag worden.

De praktijk

Er is geen betere manier om de wetmatigheid van een theorie te testen dan door de praktijk zelf. De beleggersindustrie wordt namelijk gedomineerd door actieve professionele beleggers . Deze beleggers zijn stuk voor stuk hoog opgeleid en beschikken over ‘state of the art’-informatiesystemen en andere hulpmiddelen met als doel de markt te verslaan. Als het zo zou zijn dat koersen niet de werkelijke waarde vertegenwoordigen, dan zou men mogen verwachten dat zeer gekwalificeerde marktpartijen hier consequent van kunnen profiteren.

Sinds de opkomst van de computer kunnen onderzoekers de gerealiseerde rendementen van (professionele) beleggers berekenen en vergelijken met de rendementen van de markt, uiteraard gecorrigeerd voor het genomen risico. Talloze academische onderzoekers tonen aan dat het aantal beleggers dat de markt weet te verslaan niet groter is dan wat zou mogen verwacht op basis van toeval. In de praktijk blijken beleggers, na kosten, rendementen te genereren die gemiddeld lager liggen dan het marktrendement.


Ondanks de talloze empirische studies, blijkt actief beheer de dominante strategie te zijn in de beleggersindustrie. Dat betekent dat de meeste beleggers toch van mening zijn dat zij in staat zijn om zelf, dan wel met behulp van een professional, de markt te kunnen verslaan. Deze inspanningen luiden echter tot hogere kosten en tot het grotere blootstelling aan risico’s en uiteindelijk tot (aanzienlijk) lagere rendementen.